artikelen
 

>  STARTPAGINA
>  ARTIKELEN

Scherven van zekerheid
over kerkliederen op de rand van het geloof
(24 oktober 2020)

Sinds 2013 zingen we uit het nieuwe liedboek
(NLB), ‘Zingen en bidden in huis en kerk’.
Ik vermoed overigens dat we het meer gebruiken in
de kerk dan thuis. Met het verschijnen ervan hadden
we opeens bijna 1300 liederen terwijl we het tot dan
toe met ongeveer de helft moesten doen, hoewel
men naast het officiële boek vaak zijn toevlucht nam
tot liederen uit de Evangelische liedbundel,
kinderliedjes van Hanna Lam, Zingend Geloven, en
hier en daar ook nog Johannes de Heer.



Je zou verwachten dat die 1300 titels nu wel genoeg waren.
Maar in 2015 verscheen ‘Zangen van zoeken en zien’, (ZZZ)
een bundel met bijna 750 liederen, waarvan ook een fiks aantal
in het NLB staat. Die bundel kwam er mede omdat de
samenstellers vonden dat er in het liedboek te weinig aan
vernieuwing was gedaan.

Er ontstaan voortdurend nieuwe teksten. Ik kan me daar iets bij
voorstellen, los van de vraag of de oude teksten nou wel of niet
meer voldoen. Zoals je als popgroep streeft naar het brengen
van eigen nummers (tot het zover is heet je een coverband, of
erger, coverbandje) hebben ook tekstdichters en muzikanten in
de kerk de natuurlijke neiging om zelf nieuwe dingen te maken.
Soms is dat letterlijk gebruiksmuziek, die je één keer gebruikt,
zoals in Bachs tijd eigenlijk ook zijn prachtige cantates, soms
beklijft het, wordt het vastgelegd, en vaker uitgevoerd.
Het zal duidelijk zijn dat nieuwe muziek vooral gemaakt wordt in
en voor gemeenten die daar voor open staan, die andere
wegen willen gaan dan de platgetreden paden.

Een zo’n, zeer productief, maker van nieuwe liederen is Michaël
Steehouder (1948). Van hem verscheen het boek ‘Scherven
van zekerheid’. Daarin vertelt hij over zijn ontwikkeling. Over
een veranderend godsbeeld, een veranderend geloof en een
daaruit volgende veranderende manier van schrijven. Zelf
noemt Steehouder, die uit een katholiek nest komt, het dichten
van liedteksten, dat hij al meer dan vijftig jaar doet, een uit de
hand gelopen hobby.

Het boek, waarin veel voorbeelden van teksten en liederen
(vaak met muzieknotatie), is ingedeeld in drie delen: ‘De liturgie
waarin we zingen’, ‘het leven waarover we zingen’ en ‘de taal
waarin we zingen’.
Zo gaat het over de censuur in de Rooms Katholieke kerk, over
het godsbeeld, en het gebruik van populaire muziek in de kerk,
zoals in Top2000 diensten, met bijvoorbeeld ‘Mag ik dan bij jou’
van Claudia de Breij, waarvan hij laat zien dat de tekst
overeenkomsten vertoont met zijn eigen (eerdere!) lied, ‘Als
alles stilte wordt’, (blz. 38) dat ook is opgenomen in ZZZ, onder
nr. 249.
Daarnaast bespreekt hij het dilemma van de te verheven taal.
Je wil graag duidelijk schrijven, in begrijpelijk Nederlands, maar
ook weer niet té gewoon; het moet niet plat worden.

Wat me aanspreekt is zijn beschouwing over het zingen van
een kerklied. Dat gaat eerst en vooral om het zelf en
gezamenlijk beleven.
“Samen zingen kan troosten, bemoedigen, ‘beter maken’. (…)
‘Zingen jaagt de duivel op de vlucht,’ aldus Luther.” (blz. 41)
In dat verband vind ik het mooi dat Steehouders teksten over
het algemeen overzichtelijk zijn. Geen ingewikkelde refreinen
en beurtzangen waarvan je je als kerkganger afvraagt waar je
nou weer heen moet in het notenbeeld, met als gevolg dat je
van de inhoud van de tekst soms lang niet alles mee krijgt.
Grappig ook hoe hij een lied als ‘Deze vuist op deze vuist’ uit
het kinderprogramma ‘De film van Ome Willem’ weet te
beschrijven als een soort van liturgisch lied.

In het gedeelte over ‘het leven waarover we zingen’ gaat het
over het verschil tussen de taal in verreweg de meeste
kerkliederen en de hedendaagse werkelijkheid. En over het ‘Jij’
zingen tegen God, waarbij ik zijn argument, dat in het
Hebreeuws, Aramees en Grieks geen aparte beleefdheidsvorm
bestond, niet zo heel sterk vind. In het Nederlands is die er
namelijk wel! Aan de andere kant: “Steeds meer bedrijven
proberen tegenwoordig vertrouwelijkheid (…) uit te stralen door
in hun brieven en mails jij en jou te gebruiken – tot ergernis van
veel klanten die liever een zakelijke afstand bewaren.” (blz. 71)
En zo is dat!
Ook de schepping komt ter sprake en het verschil tussen
orthodoxe en meer vrijzinnige gelovigen. Hem valt op dat veel,
ook hedendaagse dichters, in hun teksten min of meer als
vanzelfsprekend vasthouden aan het verhaal van God als
schepper van hemel en aarde. (blz. 80)
Als er over liefde wordt gezongen gaat dat vaak in metaforen.
Er worden nooit lichaamsdelen genoemd. Dat is, aldus
Steehouder, “te verklaren uit de christelijke traditie die de
lichamelijke, zinnelijke liefde negatief benadert.” (blz. 103) En
het enige lied waarin de homoseksuele liefde wordt bezongen
is ‘Ongestraft mag liefde bloeien’ van Sytze de Vries (ZZZ 536)
met “liefde (…) als een regenboog vol kleuren”.
Dat lied komt ook weer ter sprake in het gedeelte over ‘de taal
waarin we zingen’ . Dan gaat het onder andere over ‘het risico
van de ontkenning’ (blz. 154). Als je heel hard roept dat iets níet
zo is (Nixon met Watergate, Clinton met Monica Lewinsky) wek
je de indruk dat er misschien toch juist wél iets aan de hand zou
kunnen zijn. Er staan zinnen als ‘ongestraft mag liefde bloeien,’
en ‘liefdesloop verdraagt geen boeien’. “De ontkenningen
‘ongestraft’ en ‘geen boeien’ zetten het straffen en boeien wel
op de ‘mentale agenda’ van wie het lied zingt.” (blz. 155) Ik
persoonlijk zie dat probleem niet zo…
Dan gaat het ook over de technische kant van teksten
schrijven. “Soms schrijf ik teksten op bestaande melodieën,
maar de laatste twintig jaar wordt de muziek meestal pas
gecomponeerd als de tekst af is.” (blz. 119). En later in het boek
blijkt dat een tekst, die eerst op een bestaande melodie werd
geschreven, er “vrijwel altijd (…) beter van” werd als een
componist er nieuwe muziek bij maakte. (blz. 181)

Op de achterflap lezen we dat Michaël Steehouder naast zijn
loopbaan van assistent tot hoogleraar
Communicatiewetenschap vijftig jaar vrijwilliger in liturgie was
en teksten voor liturgische liederen schreef. “Die vormen
meestal het uitgangspunt en de illustraties van de reflecties in
het boek. Het is geen wetenschappelijke studie, noch een
handleiding voor het maken van liturgie. Het wil een bijdrage
leveren in de bezinning en het gesprek over een ‘open’ liturgie
binnen en aan de rand van de kerken.”

Het is inderdaad geen wetenschappelijke studie geworden.
Steehouder associeert makkelijk. Daardoor is het wel een vlot
te lezen boek geworden. Met af en toe interessante en soms
grappige waarnemingen voor tekstdichters, muzikanten, maar
ook gewoon geïnteresseerde gemeenteleden en/of
kerkgangers.
Maar het gevaar daarvan is dat er lastig een lijn in is te
ontdekken, dat het soms wat van de hak op de tak springt.
Het feit dat Steehouder zijn eigen teksten analyseert zorgt er
ook voor dat dat niet altijd even objectief gebeurt. En over
anderen is hij hier en daar wel erg duidelijk: Veelenturf en
Geraedts noemt hij “saai en gedateerd” (blz. 96) en even
verderop wordt een tekst van Marijke de Bruijne “helaas (...)
nogal didactisch” genoemd.
Schrijver dezes kreeg er een tweetal Cd’s met
geluidsvoorbeelden bij, die werden samengesteld, door (zoals
Steehouder hem zelf noemt) zijn “onvermoeibare inspirator”
(blz. 207), Chris van Bruggen. Een mooie toevoeging, maar die
zit niet standaard bij de uitgave.

Kees Steketee 

Michaël Steehouder, Scherven van zekerheid
(over kerkliederen op de rand van het geloof)
Houten, 2020, 212 blz.
ISBN 978-90-78477-41-9 

>  STARTPAGINA
>  ARTIKELEN